M. en haar familie moeten voor de zoveelste keer verhuizen

M. woont nu zo’n vier jaar in De Haan. Samen met haar moeder en twee van haar drie oudere zussen. De familie is Palestijns, maar de zussen zijn geboren en opgegroeid in Libanon. Hun ouders waren van Israël gevlucht naar Libanon. Vanuit Libanon kwamen ze met het vliegtuig naar België.

‘Op mijn oranjekaart staat dat ik vaderlandloos ben. Ik ben in Libanon geboren en opgevoed, maar ik heb geen Libanese nationaliteit want mijn ouders zijn afkomstig uit Palestina. Toch heb ik ook geen Palestijnse nationaliteit, maar een Libanese verblijfsvergunning. Daarom ben ik ingeschreven als vaderlandloos.

M. en haar familie vinden de woning en de wijk waarin ze wonen erg fijn. Ze hebben goede contacten met de buren. In het huis naast het hune en het huis daarnaast wonen ook twee families van asielzoekers. Ook heeft M. een studentenjob in een vakantiecentrum in de buurt. De zussen gaan in omstreken van De Haan naar school en naar de universiteit.

De zussen zijn erg blij met de woning, zeker na al hun ervaringen met opvangcentra. Ze vinden De Haan een fijn dorp om te wonen en de woning is ruim genoeg. Ze voelen zich veilig in het huis. Het is een plek voor hun gezin alleen.

De familie kwam in België aan in het begin van 2011. Sindsdien verbleven ze in meerdere opvangstructuren. Hierdoor hebben zij een goed beeld van de verschillen tussen opvangstructuren, zowel de centra als het hebben van een woning. Zo voelden zij zich in sommige centra onveilig. De kwaliteit van opvangcentra was erg uiteenlopend. Sommigen waren beter dan anderen.

Toen ze in 2011 aankwamen op de luchthaven, vroegen ze daar hun asiel aan. Ze werden toen gebracht naar een opvangwoning in Deinze waar ze twee maanden verbleven. De jongste twee zussen waren toen minderjarig. Vervolgens woonden de zussen op meerder plekken. Onder andere in een transitcentrum , een opvangcentrum in Yvoir in Wallonië en nog een ander centrum in Wallonië waarvan M. de naam vergeten is. Daarna moest de familie vertrekken naar een opvangcentrum in Arendonk, waar ze een kamer hadden in een containerwoning. Hierna kwamen ze terecht in een centrum in Retie. Gelukkig konden de zussen hier naar dezelfde school blijven gaan als toen ze in Arendonk verbleven.

‘We zijn vaak verplaatst. We wisten niet echt waarom we van centrum moesten veranderen. Ineens zeggen ze zo’n drie dagen van te voren dat je moet verhuizen. Je krijgt er geen hulp bij. Ze houden geen rekening met de taal of iets. Dan moet je zelf met de trein. Ze geven gewoon orders. Zo kan het dat je frans leert en dan ineens naar een plek in Vlaanderen moet verhuizen.’

Na Retie vertrok de familie naar een LOI in Alken. Ze verbleven daar voor een langere periode van een jaar en moesten toen opnieuw verhuizen naar een opvangcentrum in Sint-Truiden. Na deze verblijfsperiode kreeg de familie de huidige woning toegezegd in De Haan.

‘We hadden niet verwacht dat we na jaren weer verplaatst zouden worden. Eindelijk dachten we een vaste plaats gevonden te hebben. En nu komen ze met het feit dat wij weer naar een andere plaats moeten verhuizen. Ik was in shock, want ik had altijd moeilijke periodes met verhuizen, met nieuwe woning en een nieuw leven opbouwen. Nu opeens is het weer zover. Vroeger was ik ook enkele periodes depressief. Nu heb ik het er emotioneel erg moeilijk mee. Dat je niet echt een vaste plaats hebt. Dat je van het ene op het andere moment naar een andere plaats moet verhuizen.’

Sinds februari of maart weet de familie dat ze opnieuw moeten verhuizen. ‘De assistente kwam en hij zei dat we ten laatste in juni zouden moeten verhuizen. Wij vroegen wanneer precies, maar hij zei dat hij er niets van wist. Ten laatste juni of misschien ook eerder. We vroegen waarheen we zouden verhuizen, maar dat wist hij zelf ook niet. Het kan overal zijn, in een centrum, in een ander huis,…

Ik vind dat zo moeilijk want hij zei dat we maar vijf dagen zouden krijgen om alles op te ruimen.  Dat is te weinig, want in vier jaar heb je heel veel spullen en in vijf dagen tijd gaat het sowieso moeilijk zijn. En het is het bijna juni. De sfeer thuis is nu ook anders.

Ik vind het in De Haan gewoon super. Mijn vriendinnen wonen dichtbij, ik ken veel in de streek en  voel dat het echt mijn huis is. Nu moeten we dat gewoon achterlaten.  Moet ik nu weer naar een nieuwe school, weer nieuwe vriendinnen leren kennen? Dat is heel moeilijk!’

M. hoopt dat ze in de buurt van De Haan zullen wonen. Zo kan ze naar dezelfde school blijven gaan en hoeft ze haar vrienden niet achter te laten. Ze droomt ervan om in de toekomst meer rechten te hebben en een vaste plaats om te wonen.

‘Ik hoop dat ze me ooit aanzien als een Belgische burger. Neem nu het simpele voorbeeld van het recht om je in te schrijven in een hogeschool. Ik heb een oranje kaart en ze zeiden eerst dat ik me niet kon inschrijven. Maar normaal heb je dat recht met die kaart dan wel. Maar ze kenden die oranje kaart niet. Na veel uitleg en discussie kon ik me uiteindelijk wel inschrijven. Maar het is altijd zo lastig dat je het eerst moet uitleggen en verantwoorden. Nu moet ik dat iedere maand laten zien aan het schoolsecretariaat. Terwijl ik wel recht heb! Dat is zo lastig. Dan voel ik me zo klein.’

Geef een reactie